Saskia & Bart

Dunne boekjes, maar met zo’n schoonheid aan zinnen in. Voor mij zijn het twee dichters bij elkaar.

Laat me beginnen met ‘In de rij voor de nachtboot’ van Saskia de Coster. Amper 30 pagina’s, maar voor mij toch een blijvertje. Op de achterzijde:

‘Er zijn zoveel verschillen tussen ons’, zei ik. Dit was de ideale aanzet voor het gesprek.

‘Mooi hé’, glunderde ze, ‘zo raken we nooit uitgepraat.’

Ik zweeg. Ik holde er steeds achteraan, achter de momenten.

Ik bleef maar te laat komen.

Een coronaproof boekje: ‘Vier maanden lang kon ze niet naar mij toe komen en ik kon niet naar haar gaan, omdat we veroordeeld waren tot onze huizen en landen.’

Of, hoe twee mensen willen beslissen een einde te maken aan hun relatie, want het heeft toch geen zin, tot het samenkomen na al die tijd toch genoeg oproept om het eerst niet te durven en dan niet te willen uitspreken.

En dan Bart Moeyaert, met zijn verzameling De Schepping, Het Paradijs en de Hemel. Nu samengebracht in de bundel ‘Het hele leven’.

Het is eigenlijk onmogelijk om hier een recensie van te schrijven zonder zijn woorden over te nemen. Het is zo poëtisch, soms een beetje grappig, en eigenlijk moet je het je voorstellen onder de muzikale begeleiding van Haydn. Ik neem er dus gewoon wat pareltjes uit, ik laat het aan jullie om te oordelen.

In het begin was er niets. Het is moeilijk om je dat voor te stellen. Je moet alles wat er nu is nog niet laten zijn. Je moet het licht uitdoen, en er zelf niet zijn, en dan ook nog eens al het donker vergeten, want in het begin was er niets, ook het donker niet. Als je het begin van alles wil zien, moet je erg veel weglaten. Ook je moeder.

In het begin waren we nooit alleen. We stonden met onze blote voeten midden in de overvloed, en als we gingen liggen, dan was het alsof we in het leven verdronken. Dan zochten de vrouw en ik elkaars hand en trokken we elkaar als het ware op het droge. ‘Gaat het?’ zei zij dan tegen mij, of ik tegen haar. En dan ging het weer. In het begin voelden we ons nooit alleen.

Op het eind was er aan mijn leven niks meer toe te voegen, behalve een laatste dag. Ik zei tegen de dood, die naast me lag: ‘Een laatste keer naar zee. Dat zou ik nog wel willen.’ ‘Alles is nog mogelijk.’ Zei de dood. ‘Wanneer had je gedacht?’ ‘Woensdag,’ zei ik. ‘Woensdag wordt het warm voor de tijd van het jaar.’ ‘Dan is woensdag een mooie dag om dood te gaan,’ zei de dood. Hij zei dat hij wel moest kijken of hij kon.

Voor mij ook een blijvertje. Ik kan er in terugbladeren en opnieuw een alinea lezen en denken, amai, dat is schoon geschreven.

Ze mogen van mij naast elkaar in mijn boekenkast staan.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s