Taxi’s in Amman

Een taxi van het hotel naar Amman City, Rainbow Street om exact te zijn, kost 3 JOD, Jordaanse Dinar. Daar kunnen we de 12 kilometer niet te voet voor doen. In Rainbow Street serveren ze volgens de boekskes de beste falafel. We snuiven de sfeer op in een lokaal theehuis, de meesten met een shisha erbij. Het is een moslimland, dus bier of wijn vind je hier moeilijk, alleen in de betere hotels (en in de liquor store in Aqaba). In Sofra, een gezellig restaurant, zit het stampvol. ‘Een half uurtje wachten’ maakt de barman ons duidelijk. Als de beroemde falafeltent streetfood blijkt, kiezen we toch voor dit restaurantje. We wachten wel.
En niet met spijt! Aubergines met yoghurt, hapjes met kaas, flat bread, homemade humus en een muntsapje… met een volle maag trekken we terug naar het hotel. Zo gezegd zo gedaan. We hadden gelezen dat je moet eisen dat de taxichauffeur de meter opzet, dus de eerste die dat niet wilde doen, lieten we al links liggen. Hij roept ons nog wel na als hij merkt dat we echt vastberaden zijn, maar we doen alsof we dat niet horen. Een straat verder stappen we in een taxi die ons mét meter naar Amman International Hotel zou brengen. Missie geslaagd! We zijn immers al ervaren reizigers, en laten ons niet zomaar uit ons loot slaan.

Even later…

We zitten al langer in de auto dan tijdens de heenrit, en herkennen nu helemaal niets meer rondom ons. De chauffeur kent ook geen Engels, het enige dat hij kent is ‘yes yes’, het antwoord op de vraag of hij ons hotel wel weet zijn. We hebben anders wel een naamkaartje van het hotel, en aan de achterkant staat in het Arabisch de plaatsbeschrijving. Als hij het kaartje op zijn kop begint te draaien, word ik zenuwachtig.

Nog even later…

‘are you sure you know the way?’ ‘yes yes’…. De meter staat ondertussen op 16 JOD en ik verlies mijn geduld. Uit gebrek aan kennis van de Arabische taal begin ik toch maar in t Engels mijn gedacht te zeggen, eigenlijk goed wetende dat hij er toch niets van verstaat. ‘stop the car’ dat lukt dan weer wel. Staan we dus 45 minuten na vertrek aan de andere kant van de stad, 5 JOD armer en nog niet bekan in de buurt van ons hotel blijkt.
De jongen van de viswinkel is vriendelijk, en probeert ons in zijn beste Engels te helpen. Hij gaat voor ons een taxi regelen. Voor 3 JOD, van hier naar hotel Amman International. Denken we. Nog 25 minuten verder staan we bijna terug aan Rainbow Street… ons geduld wordt echt op de proef gesteld. Volgens de website bestaat het hotel anders al 35 jaar…
De chauffeur weet niet beter dan te stoppen bij een ander hotel, en de weg te vragen, zo blijkt achteraf. Wij ondergaan het gewoon. Ook als de parkeerwachter in de auto stapt en de auto een paar meter verder rijdt; we staan in de weg. ‘I’m the parking guy’ zegt hij als hij onze blik opvangt.
Nog 25 minuten later…
Rijden we eindelijk de straat in van ons hotel! Eind goed al goed!

Als we de laatste dag wachten op de taxi om ons een laatste rit te gunnen naar de luchthaven, is het academisch kwartiertje voorbij als we toch maar vragen aan de receptie om te bellen naar de organisatie. Ze vinden het hotel misschien niet, lachen we. ’t Zou niet de eerste zijn!

Mobiele maandag

en geraak vlot waar je moet zijn…

Toeval wil dat ik op maandag bij een klant werk in Deurne, dus vanuit Hoboken, dat moet haalbaar zijn zonder auto!

De eerste pech is al dat ze met werken starten op de Herentalsebaan, waardoor mijn toch wel favoriete vervoermiddel als het op openbaar vervoer aankomt, de tram, niet meer rijdt tot waar ik moet zijn.
Uit gebrek aan een elektrische step, dan maar de bus. Nummer 33, rijdt van Hoboken naar Ekeren, langs Wilrijk, Antwerpen, terug Wilrijk, Berchem, Mortsel, terug Berchem, Borgerhout en dan Deurne! Slik.
Mijn eerste mobiele maandag (toen nog niet geregistreerd als mobielemaandagmaagd op de site) ervaring is in de paasvakantie, en dus valt het mee. Je zit wel een uurtje op de bus te schudden en te schokken…zoveel kleine straatjes en ronde punten!
Mijn voorkeur blijft toch de tram; maar goed, ik geraak zonder kleerscheuren naar en van het werk.

16 april. Eerste schooldag. Vol goeie moed wandel ik de 332 meter naar de bushalte. De bus is mooi op tijd. En de bus zit overvol. We staan met twee personen te wachten, dat moet nog net lukken. Dat denken die 5 mensen aan de volgende bushalte ook… ik kan me amper vasthouden. ik sta geplet tussen de mensen en de deur. Een klein kind staat voor mij, maar staat eigenlijk meer op mij dan tegen mij. Ik houd me toch, met mijn hand met gebroken vingers, vast aan de reling van de voordeur. Een vrouw zet ineens haar hand op het mijne… auch! Ik, en een 8tal anderen, hinderen de chauffeur om te kijken in de spiegel. Hij geraakt wat geërgerd, want bij de volgende halte moet hij een vrouw met een winkeltrolley teleurstellen, ze kan er echt niet meer bij. Hij roept nog om door te schuiven, maar er valt echter weinig door te schuiven…

Eindelijk, de meesten stappen hier af aan de school, eindelijk plaats! Bezweet en al een beetje over mijn toeren neem ik plaats op een bankje. Tot de chauffeur ergens in Borgerhout zijn bus aan de kant zet, en ons chauffeurloos laat zitten. De laatste kinderen die nog op de bus zitten zullen te laat komen op school, tot onvrede van de moeders. En ik kom te laat op het werk! Eenmaal op de Herentalsebaan moet ik nog over de werf lopen om bij mijn klant binnen te geraken. Alé, de werkdag kan beginnen!

Ik weiger nog op die bus 33 te stappen. Dat is geen plezier. Zelfs niet op mobiele maandag. dan ga ik nog liever met de auto. Krijg ik geen boekentas in mijn nek, geen vuile schoenen van vieze kinderzooltjes en mijn vingers gaan (hopelijk) sneller genezen.
Ik wandel de 1070 meter naar metro Zegel, en pak daar tram 10 naar huis.

23 april. Een nieuwe werkweek. Opnieuw een mobiele maandag. 356 meter naar de tramhalte. Tram 10 komt er net aan, mooi op tijd. Ok, het is druk, maar ik bemachtig wel een stoel. Ik moet een gast wel aanspreken omdat die af en toe zijn elleboog tegen mijn hoofd slaat (blijkbaar zonder het zelf te merken) maar als ik hem erop wijs zegt hij ‘sorry’ en het gebeurt ook (bijna) niet meer. 1070 meter wandelen van station zegel naar mijn klant. En, ik registreer me bij de 7340 andere mobiele maandagmensen op mobielemaandag.be. Ik ben nu een erkende mobielemaandagmens, ik heb een mobielemaandagmaagdbadge en een voetverkennerbadge.

En, die 2 km heb ik dan toch al in de benen, op mobiele maandag toch wat mobieler zijn, dan help ik niet alleen het verkeer wat meer in beweging te krijgen, maar ook mijn eigen lijf!

De Kasseien van Londen

‘Maar nee, we gaan wel, je kan een citytrip toch ook rustig aan doen?’ Mijn vriend maakt zich wat zorgen, want eigenlijk voel ik me niet zo goed, dus hij suggereert efkes om thuis te blijven. Ik ben inderdaad nog aan ‘t bekomen van een zware griep, met nog steeds een zware hoest en de daarbij horende gekneusde ribben tot gevolg. En door al die drukke dagen gaat de recuperatie zo traag, dat ik eigenlijk beter een weekend in mijn bed zou kruipen dan door de straten van Londen ga dwalen. Vandaar, we zullen er een rustige citytrip van maken.
Het is uiteindelijk ook niet de eerste keer dat ik in Londen ben, dus ik heb geen al te lang verlanglijstje. Een show staat op het programma, Motown, en uiteraard schoenen kopen bij Russell & Bromley, maar voor de rest… pintje pakken en de sfeer in deze fantastische stad opsnuiven! Eventueel een museum, maar dat is zelfs geen must.
Denkend dat Motown een muziekstijl is en dat we gewoon goeie muziek gaan horen, gaan we naar Shaftesbury Theatre. We lachen nog met het feit dat blijkbaar iemand eens buiten gegooid is uit de zaal, te hard aan ‘t meezingen! Toch wel onder de indruk als we buitenkomen, nu wetend dat Motown een platenlabel is, de eerste in zijn soort die erin slaagt ‘zwarte muziek’ bekend te maken bij een blank publiek. Niet zonder slag of stoot natuurlijk. Racisme loert altijd wel ergens om de hoek. Dankzij Motown kennen we wel The Jackson 5, Diana Ross, The Temptations, Marvin Gaye, Stevie Wonder,… het lijstje gaat nog verder!

bg-img
officiële foto van de flyer

Paasweekend in Londen. En als je al met kerst in Londen geweest bent, weet je het, de Londenaars nemen de feestdagen serieus! Op Christmas & Boxing Day zie je zelfs geen één rode bus rijden. Metropoorten zijn gesloten. En de enige taxi’s die rijden, zijn gereserveerd. Musea gesloten en veel horeca trouwens ook. Londen wordt stil. Met Easter Weekend gelukkig niet. De Londenaars komen buiten! De horeca en de meeste musea zitten stampvol! Wij slenteren onbewust Neal’s Yard in, een groen steegje in het centrum van Londen. Gekleurde huisjes, planten, bankjes, en veel fotografieliefhebbers. Een uniek plaatsje. En een unieke wijnbar, klein maar oh zo gezellig, en een leuke afwisseling met de pubs die we meestal in Londen bezoeken.

En het mag eens iets anders dan pub food zijn, dus we gaan eten in Jamie Oliver’s Italian. Super bediening, lekker eten en drinken, echt op ons gemak, kortom, een geslaagde avond! En dan totaal onverwacht. Kasseien. Twee trapjes naar beneden. Beetje nat. Mijn knie raakt het eerst de grond. Dan is het aan mijn hand, ik hoor en voel letterlijk de vingers van mijn linkerhand breken. Ik eindig op mijn schouder, dat zal ik maar later merken. Een man uit de lobby van een hotel vlak in de buurt komt met een zak ijs, hij heeft het zien gebeuren. Ziekenhuizen in het buitenland (ja, zelfs Engeland) zijn nooit een goed idee. Maar in dit geval gaat het niet anders. Nadat bijna al het ijs gesmolten is op de vloer in de wachtzaal van de spoed (nee, ze hebben geen plastiek zakje ofzo, nee, ze kunnen echt niet helpen), komt de dokter me halen. Om een blad in te vullen. Met mijn linkerhand. De dokter zal me nog een paar keer over en weer doen van de wachtzaal naar zijn ruimte voor ik met getapete vingers de kliniek verlaat.
Al bij al dus geen rustige citytrip, nog meer geradbraakt dan dat ik vorige week al was, klaar voor de nieuwe werkweek! Maar Londen, don’t worry, we’ll be back!

Zinzoeken? heeft dat eigenlijk zin?

Moest Mark Eyskens nog verkiesbaar zijn bij de volgende verkiezingen, dan kreeg hij gegarandeerd mijn stem. En dat alleen al voor het schrijven van dit boek.
Waarom is ‘Wat ligt er ten noorden van de noordpool?’ zo’n goed boek voor mij?

IMG_20180129_195605_072

Mark Eyskens slaagt erin met begrijpbare taal een aantal complexe actualiteitsthema’s aan bod te laten komen in deze roman, zonder ons daarbij als lezer te onderschatten. Ik heb het gelezen en herlezen. En post-its ingeplakt. Echt. Pagina’s die ik nog wel eens wil herlezen. Of wil gebruiken als geschiedenisbron.
Want, weet jij bijvoorbeeld waarvoor onze Vlaamse vlag (ja, die gele met die leeuw op) eigenlijk staat? Of van waar deze oorspronkelijk komt? Ik ondertussen wel. Ik kan alleen maar zeggen, soms denken we echt niet verder na en nemen maar gewoon over wat we al kennen. Want dat is toch de waarheid? Ik kan alleen maar toejuichen dat we meer en meer kritisch worden en inzicht krijgen in hoe dingen en ideeën tot stand komen en waarom we vandaag geloven in wat we geloven.
Zoals ook het ontstaan van de hoofddoek, en eigenlijk heel de geschiedenis van de islam, in vergelijk met de andere godsdiensten in de wereld. Het geeft op zijn minst een beeld van onze vertroebelde blik.
En, naar aanloop van de verkiezingen wil ik toch ook dit visje opwerpen. Mark Eyskens was er voorstander van om elk individu niet één stem, maar tien stemmen te geven bij de verkiezingen, die je naar eigen goeddunken mocht verdelen over personen of partijen. Een soort meervoudig stemrecht zeg maar. Dat is pas democratie, dan stellen wij als volk de regeringscoalitie samen, en niet meer de partijleiders zelf. Echter, de telling van dit systeem zou te ingewikkeld zijn om dit voorstel nader te bekijken? In 2018? Really?
Er komen een heel aantal nieuwe woorden aan bod, zoals vermenning, wonderwijs, BINC en een ganse theorie over dualismen. En uiteraard de geschiedenis van de verschillende steden die ze aandoen tijdens de cruise naar de Noordkaap, dus nog tegelijk een reisboek ook!

Ik ben absoluut fan! Een van zijn andere boeken, Veelal, ligt al klaar om gelezen te worden. Een theorie van alles, dat belooft!

Onweer in Bali

Bali is het tropisch paradijs. Volgens de brochures hebben ze werkelijk alles; een heilig apenbos op de beboste vulkaanflanken voor de dierenliefhebbers onder ons, prachtige koraalriffen voor de duikers, golven voor de surfers, hindoetempels voor de reizigers die eens een andere cultuur willen opsnuiven, en bovenal een warm klimaat, ook in het regenseizoen. Kortom, voor elk wat wils.
Komt erbij, je bent op slag miljonair! Ik had maar liefst 3600000 RP op zak! Echter, in onze munt nog geen 250 waard. Maar het idee eraan was toch plezant. Wat een pak biljetten!
En uiteraard wil ik meer zien dan enkel de prachtige tuin en het veel te warme zwembad van het hotel. Ik wil dat Monkey Forest zien! En die rijstvelden! En de zee! Op uitstap dus. Een privé gids (die zelfs Nederlands spreekt; Bali was tot niet lang geleden een kolonie van Nederland) mét chauffeur gaat met ons mee. Hij neemt ons mee in de cultuur van Bali, met hindoeïsme als belangrijkste godsdienst, en onderweg vertelt hij ons over de verschillende ambachten in Bali, zijnde zilverkunst (ingevoerd uit Borneo), schilderijen en houtsnijwerk. De belangrijkheid van de ceremonieën zet hij, zelf een hindoe, vaak in de verf. Dat ze een aantal keren per dag offeren aan de goden kan je trouwens niet missen, overal struikel je bijna over alle bakjes met bloemen, vers fruit, koekjes en snoep, waar vooral de plaatselijke fauna zich aan tegoed doet!


So far so good. Want, helaas, al dat moois van Bali heeft een keerzijde…

Files

Waar we geen rekening mee gehouden hebben, is dat álle toeristen een eigen gids en chauffeur krijgen; van zodra we de oprit van ons hotel afrijden, staan we stil. En een meter verder staan we nog eens stil. En eigenlijk staan we overal stil. Brommertjes razen ons links en rechts voorbij. De verplaatsingen gaan ongelooflijk traag. Het gaat er ook heel chaotisch aan toe, voorrangsregels kennen ze hier niet. Na een uitstap van maar liefst 11 uur, waarvan het merendeel in de auto zijn we kapot! En hebben we eigenlijk vanalles en niets gezien.

Moet er nog plastiek zijn

De uitgestrekte stranden met fantastische branding missen hun doel niet. Al van ver zie je de surfers de ene golf na de andere pakken, of missen. Nog vastgebonden aan hun bodyboard komen ze al dan niet half verzopen terug het strand opgekropen. En samen met hen speekt de zee met elke golf plastiek uit. Echt. Overal plastiek. De Balinezen staan zelf in voor de verwerking van hun afval; ze verbranden een deel, maar, ze gooien blijkbaar ook een heel deel gewoon in de rivier, en die mondt uit in de zee. Vooral tijdens het regenseizoen komt dit afval terug op het strand terecht… hier is duidelijk nog wat sensibilisatie nodig! Het is eigenlijk echt vies om tijdens het wandelen op het strand ineens een plastiek zakje tussen je tenen te krijgen. Tot daar de romantische strandwandeling.

Tourist trap, for us or for them? That’s the question

Bali, een paradijs, dat zich volop richt op het toerisme. Het ene resort naast het andere, met bars en toeristenwinkels all over. Iedereen probeert een plekje te veroveren in deze booming business. Ik vraag me af of er eigenlijk een verschil is tussen deze vorm van ‘moderne’ kolonisatie van toeristen en de vroegere kolonisatie van Nederland. Het is een risico, voor dit prachtige land mét actieve vulkaan, om economisch bijna volledig af te hangen van de toeristensector.

Bali, clean and green

Het moet gezegd, je ziet wel inspanningen. De lokale surfclubs harken het vuil op het strand bij elkaar dat opgehaald wordt door een bulldozer. Je hebt vuilbakken om te sorteren. Ik zie een reclamepaneel met een sensibiliseringsfilmpje om geen koraal te ‘plukken’. Maar, we zijn er nog lang niet. Bali, clean and green, ik wens het ze van harte toe!


Onze laatste avond worden we getrakteerd op een showspel van bliksem, donder en regen. Direct staan de straten blank. Krijgen we toch nog iets van het regenseizoen te zien!

Ontmoeting met de Sami cultuur in Lannavaara

Ik was ontroerd. Door het landschap. De stilte. De ondergesneeuwde natuur, die geduldig wacht tot de eerste zonnestralen de ontdooiing inzetten. Maar bovenal was ik ontroerd door de kennismaking met de Sami cultuur.
We hadden die dag een druk programma, ’s morgens met een rollator naar de andere kant van het dorp, en ’s middags waar ik het meest naar uitkeek: met de husky’s gaan sleeën!
Het vervoermiddel bij uitstek is daar inderdaad de rollator, al begrijp ik na 5 kilometer nog steeds niet waarom ik dat ding terug uit de kast zou halen in plaats van te voet te gaan. Verschrikkelijk vond ik het! Je bedient het zoals een step, maar vermoeiend dat dat is! Te weten dat de meeste mensen hier bejaard zijn, en dat als vervoermiddel hebben; die mensen hebben nogal een conditie! Chapeau!


Maar dus, toen we eenmaal aan de andere kant van het dorp geraakt waren, wachtte een super mega sympathieke dame ons op, om wat meer te vertellen over de Sami cultuur. Die dame heeft nog geen beetje indruk op me gemaakt. Die staat echt voor haar cultuur, en is trots dit te mogen delen met ons. Er staan een paar van haar rendieren voorzichtig vanachter de takken naar ons, maar vooral naar die mand vol mos, te kijken. Het is een zware winter voor de beestjes. En dat na een natte lente, dat maakt het voor de rendieren nog moeilijker om het mos vanonder het dikke pak sneeuw te graven. Terwijl de vrouw verder vertelt, schaam ik me meer en meer voor onze individualistische en materialistische manier van leven. Ik voelde me daar op een bepaalde manier zó thuis dat ik er wilde blijven, en het afscheid kneep dan ook mijn keel dicht. Nog een tasje koffie (met een blokje kaas in) om op te warmen, en dan terug die rollator op naar de chalet. Daar heb ik al mijn energie voor nodig, dus moet ik efkes niet praten of uitleggen wat me bezielt.


Eenmaal thuis lees ik nog over de Sami cultuur. Hoe ze tot voor kort nog als nomaden leefden, en hun kuddes rendieren overal mee volgden. Hoe ze een plek en een stem veroveren in de parlementen van de desbetreffende landen. Hoe ze enkel van de aarde nemen wat ze nodig hebben, en als ze al een dier slachten, hier ook echt alles van gebruiken. Tot gereedschap maken van de botten. Ik onthoud vooral hoe gastvrij en vriendelijk ze zijn, voor ons, als onwetende toerist, om toch hun hart open te zetten en ons verwelkomen en knuffelen alsof we mekaar al jaar en dag kennen. Giitu!
’s Middags vind ik de hobby waar ik naar op zoek ben! Zes husky’s huilen, blaffen en trekken aan de lijnen. Ze eisen alle aandacht op, want ze willen vertrekken! En daar gaan we! Door de bossen, over de bevroren rivier (yep, efkes bergaf, spannend met die slee, want je wil niet met die slee tegen pootjes glijden), over sneeuw en ijs… het wordt ondertussen donker, dus we krijgen een lamp op ons hoofd, niet dat ik daarmee zelf meer zie… ik denk maar dat ik vooral meer zichtbaar moet zijn voor de anderen. De honden weten wel naar waar ze moeten lopen, daar ga ik maar vanuit. Af en toe is het precies bobsleeën, zo snel dat we gaan door de bochten! Bevroren en ijskoud, en tot op vandaag nog altijd één gevoelloze vingertop, maar het was het zo waard!

Dus, ik heb heimwee. Heel hard! Wanneer gaan we terug?

Joepie! Ik ben een blogger!

Tot daar. Ik ben al zo lang bezig om alle verschillende sites rond bloggen te bekijken dat mijn koudwatervrees alleen maar groter wordt. De moed zakt me in de schoenen en er staan tranen in mijn ogen. Want er zit nu echt niets anders meer op dan te beginnen schrijven… en dat durf ik precies niet.
Alle voorbereidingen zijn anders getroffen. Waar ga ik schrijven? Ik heb bij de uitverkoop van de meubels van het oud justitiepaleis in Antwerpen een parel van een bureau op de kop kunnen tikken (alé, als ik het bod hoorde dat ‘net’ onder mijn bod lag, heb ik toch ruim teveel betaald): een bureau uit de jaren 1850 met groen leer bovenaan, en het hout zelf is kerselaar, niet meer te vinden blijkbaar! Soit, je hoort me niet zagen, want het is een magisch bureau met een verhaal.
Via via hoorde ik over Jean. Die heeft vroeger nog in het justitiepaleis gewerkt. Hij kan me helpen met mijn nieuwe toekomstige rol als syndicus van ons blokje (waarover later ooit wel meer), dus we spreken eens af. En wat blijkt? 90% zeker dat de bureau ooit nog van hem geweest is. Want ja, er zit een schuif in het midden! Je kan met twee personen aan de bureau zitten, zo over mekaar, maar als je dat niet moet, zoals Jean, en zoals ik, kan je de achterkant gebruiken als barkast. Daar staat de whisky. Goed om weten!

Ik schrijf dus niet aan die ‘magische poepchique bureau met een verhaal’ maar wel aan mijn ander tafeltje. Een rond. Een afdankertje van mijn zus toen zij verhuisde en koos voor een grotere eettafel en ik dat kleine ronde tafeltje ‘tijdelijk’ ging gebruiken. Dat tijdelijk is dus ondertussen definitief. Zelfs voor mijn eerste blog. En dat terwijl die mooie bureau in de ruimte naast mij stof aan het pakken is. (en vlokken haar, van mijn bordercollie Reynaert alias vos)

IMG_20171008_165945

Die ‘mega super bureau die niet meer te vinden is’ ging anders voor de nodige inspiratie zorgen. Al weet ik wel over wat ik allemaal mijn mening wil delen! Ik ben een globetrotter, dus heb al wel wat reisdagboeken in mijn kast staan voor reisblogs. Ik ben ook een eeuwige student, levenslang op weg naar die master levenslooppsychologie. Ik ben moeder van een 18-jarige dochter en heb een uitgesproken mening over ouderschap, ik ben freelancer en vrijwilliger, en, ik wil eigenlijk wat dingen vertellen over wat taboe onderwerpen. Just things in life. Daarnaast heb ik al wel wat ideeën om een boek te schrijven! Dat terwijl er amper een letter op papier staat. Maar dus, conclusie, wat ik wil schrijven, zit al wel in mijn hoofd.
Nu ik dit neerschrijf, vraag ik me eigenlijk af of ik ooit wel op publiceren ga durven klikken. Zo was het met mijn website ook Quest For Life ; ik had die achter de schermen al gemaakt, en durfde die maar niet online zetten. Tot iemand me er vriendelijk op wees dat mijn site niet ineens door 100 man gelezen zou worden. Neen, mijn site verdwijnt tussen de (honderd)duizenden anderen. Ik heb nu na 3 jaar nog altijd maar 100 likes op mijn facebookpagina (hoera, ondertussen toch al 100!) dus no stress. Zo’n vaart zal het wel niet lopen (al wil ik dat wel).
Genoeg geklaag! Ik probeer anderen te stimuleren om iets nieuws te proberen in 2018, dus dan geef ik graag het goede voorbeeld. Ik begin dus met bloggen en januari lijkt me de ideale maand om mijn eerste blog online te zetten. Ondertussen kijkt Reynaert me zielig aan, hij wil naar buiten. Hij wint, let’s go out! 😊
Dit is Reynaert:

P1060755 (2)