De zwarte bladzijde van Cambodja

De rit naar Phnom Penh gaat meestal over asfalt, maar ook regelmatig over zandpaden. Langs verschillende dorpen, met allemaal hun eigen lokale markt. De gewone zaken zoals (véél) vlees aan haken, veel groenten en fruit, maar ook bakken vol gefrituurde kakkerlakken, schorpioenen, spinnen en slangen. ’t Zijn tussendoortjes, voor bij de aperitief. Ik hou het dan maar bij chips. Ik schrik me een ongeluk als een vrouw met een levende (echt grote!) spin om me afkomt en hem op mijn lijf wil zetten. Van een verkooptruc gesproken. Ze zet hem dan maar op het hoofd van een jongen, die er amper van opkijkt. Ze moet met mij lachen. Als ik zie dat ze een plastieken zakje vast heeft met nog zo’n tiental lieverds, maak ik me toch maar uit de voeten.

In Phnom Penh is het een drukte van jewelste. Scooters, auto’s, fietsen en tuk-tuks… allemaal door elkaar. Een stadstoer staat op het programma. Alleen, het Chinees Nieuwjaar eist de meeste aandacht op. Jongemannen met volledige gespeende varkens lopen op en af naar de tempel. Het lijkt erop dat ze hun koteletten en eitjes bakken op de verschillende -door de temperatuur- warme stenen en beelden. Nee, het zijn offers. Ik kan niet nalaten te denken wat een verspilling dit is, en dat dieren hiervoor moeten sterven om dan in stukjes op de kop van een stenen leeuw te belanden. Nog zo’n bijgeloof voor meer geluk: kleine zwaluwen worden gevangen en verkocht om terug vrijgelaten te worden. Niet aan mij besteed.

Je kan in Cambodja niet voorbij aan de horror die ze nog maar enkele jaren geleden meemaakten. We hebben allemaal wel gehoord van Pol Pot en de Killing Fields. Eerst bezoeken we Tuol Sleng, midden in het centrum van Phnom Penh. Dit is een vroeger schoolgebouw dat in de tijd van de Rode Khmer werd gebruikt als verhoorkamer en gevangenis. Dankzij een overlever, Chum Mey, weten we wat hier gebeurd is. Iedereen die maar een beetje had gestudeerd werd hier naartoe gebracht, en veroordeeld tot het bekennen dat ze spionnen zijn van de CIA of KGB. Van zodra dat ze dat deden, werden ze naar een Killing Field (één van de 413! voor zover we nu weten) gebracht en werden op gruwelijke wijze omgebracht (lees: een kogel is te duur). Diegenen die niet onmiddellijk bekenden, werden gefolterd, om alsnog geblinddoekt hun bekentenis te ondertekenen, en alsnog op een Killing Field terecht te komen. Meestal ’s nachts, onder begeleiding van een muziekje, om het gekrijs te overstijgen en eventuele pottenkijkers te ontmoedigen. Niks aan de hand.

Ik kan bijna niet beschrijven hoe dit erin hakt bij mij. Deze plaats ademt de horror nog uit en maakt iedereen stil. De foto’s spreken boekdelen, de foltertuigen nog meer. Onze gids vertelt ons zijn persoonlijk verhaal hoe zijn familie uit mekaar gerukt is, net zoals zoveel andere Cambodjaanse families. Dit land heeft pijn. We ontmoeten een van de vier kinderen die net op tijd bevrijd zijn. Ik krijg er geen woord uit. Met die brok nog steeds in mijn keel, rijden we met de tuk-tuk naar een van de vele Killing Fields. Het is hallucinant om te zien. Je loopt over houten bruggetjes, met onder je nog allemaal resten van lijken en kledij. Als het zand verder wegspoelt bij een heftige regenbui, wordt des te meer zichtbaar. Ik kan het niet laten te denken dat ik blij ben dat het vandaag kurkdroog is. De Killing Tree, waar ze kinderen tegen doodslaan om dan in de put ernaast te dumpen, hangt vol kleurrijke armbandjes van toeristen. De wens van de Khmer (bevolking Cambodja) is dat we dit verhaal zoveel mogelijk delen, zodat dit nooit, maar dan ook nooit, en nergens in de wereld nog mag en kan gebeuren! Bij deze.

My feeling at that time was that I knew I woud be dead. I was really terrified, and I was scared of being electrocuted. Like I said, I could tolerate the pain form being beaten and having my toenail pulled out, but not being electrocuted. That was too much for me. They attached a wire to my left ear and it was like my head exploded. Kuk-kuk-kuk-kuk-kuk-kuk! My head felt like a machine and my eyes were on fire. I fell on the floor unconscious two times. When I woke up I started telling them what they wanted to hear. (Chum Mey, The Triumph of an ordinary man in the Khmer Rouge Genocide)

Na deze zwarte dag staat er wat cultuur op het programma. Er is een Nationaal Museum in Phnom Penh, met veel intacte beelden, en we bezoeken ook de Royal Palace met onder andere de met 5000 zilveren tegels beklede vloer in het Silver Pagoda. Phnom Penh heeft potentieel, maar heeft nog een lange weg af te leggen om een metropool te worden zoals Bangkok.

We reizen verder naar Sihanoukville. Cambodja heeft zijn eigen land (jammer genoeg) grotendeels verkocht aan rijke investeerders, deze regio blijkt volledig van de Chinezen te zijn. Heel deze stad is een grote werf, ze hebben duidelijk grootste plannen. De waarom is niet ver te zoeken, van hieruit vertrekken de ferry’s naar de tropische eilanden die Cambodja (alé, grotendeels China) rijk is. Wij reizen verder naar het kleinste eiland, Koh Rong Samloem op 45 minuten met de ferry. ’t Is hier nog echt primitief en totaal niet georganiseerd. Onze ferry vertrekt 3 uur later dan voorzien, maar het lukt ons uiteindelijk wel om van de ferry in een kleiner motorbootje te stappen en ons zo te laten droppen op het strand vlak voor ons hotel. Witte zandstranden, helderblauw lauw water, dagverse vis, zalige strandwandelingen en een tocht door de jungle die het eiland rijk is. We nemen de tijd om te bekomen van de pracht en horror dat dit land te bieden heeft.

Terwijl we wachten op de ferry om ons op te halen en terug te brengen naar het vasteland, worden we getrakteerd op een fikse regenbui. Dat verklaart de prachtige jungle op deze eilanden. Van de ferry in de auto, van een klein vliegtuig naar een Airbus om terug huiswaarts te keren.

Wat een prachtige en boeiende reis.

Lees ook mijn andere blog over Cambodja: Cambodja: wat een koninkrijk!

Cambodja: wat een koninkrijk!

Iedereen kent Cambodja van de Angkor Wat, de grootste religieuze tempel van de wereld. Maar Cambodja heeft nog zoveel andere troefjes. Wij gingen er op roadtrip, en brengen prachtige verhalen mee van een land dat recent een grote horror kende.

‘Zelf een auto huren in Cambodja? Dat heb ik nog nooit gehoord!’ zo reageerde het reisbureau als ik mijn plannen uit de doeken deed. Niet mogelijk dus. Later zal ik begrijpen waarom, het verkeersreglement bestaat hier amper tien jaar, en geen kat die er rekening mee houdt. Je rijdt gewoon waar je wil. Dat resulteert in een paar bloedstollende ‘adem-inhouden-momenten’ op de achterbank als onze chauffeur weer eens een gek manoeuvre maakt tussen de andere weggebruikers, waaronder koeien en véél brommerkes.

Onze eerste stop is Siem Reap, tegelijk het meest toeristisch omdat hier, jawel, de Angkor Wat te bezoeken is. En dat dit een place to be is, is niet overdreven. We worden ’s morgens voor zonsopgang opgehaald, ’t is nog pikkedonker, en zien het licht worden bij dit prachtige monument. Wel tezamen met een paar honderden anderen, maar toch nog steeds even indrukwekkend. Onze lokale gids kent dit terrein op zijn duimpje, dus loodst ons met gemak voor en tussen de drukte door naar alle beste plekjes, boven op de torens, en tussen de nissen door voor de beste uitzichten. Tegen we om acht uur terug naar ons hotel gaan voor ontbijt, hebben we al 6000 stappen gezet!

P1040010De volgende dagen verkennen we het terrein en zien verschillende tempels, de ene al groter en magischer dan de andere. Van Angkor Thom naar Terrace of the Elephants, van Bayon en Baphuon naar Ta Prohm. Deze laatste is ongelooflijk, overgroeid door grote Kapok Trees. Ook de Roluos Group Temples komen aan bod. Het is een groot terrein, waar we ons met een tuk-tuk overal naartoe laten rijden, om dan de tempels te beklimmen. Wat een heerlijke tijd. Dit is vakantie!

De avonden in Siem Reap vullen we met een bezoekje aan de Night Market (niet echt ons ding) en de Pub Street. Live optredens, en heerlijke gerechtjes, zoals amok. Met veel kokosmelk, maar zachter van smaak dan de typische Thaise curry’s. Al is onze ervaring dat je beter een restaurantje zoekt in de zijstraatjes van Pub Street. Deze laatste is een straat vol horeca om toeristen het naar hun zin te maken, met in de restaurantjes een prentenboek; van biefstuk friet tot lasagnes, van rijst tot salades, teveel om het allemaal kwalitatief te kunnen aanbieden. Niet de Cambodjaanse stijl. Een tip die in meerdere landen van toepassing is, ga waar de locals gaan; gegarandeerd lekker en vers eten! A ja, de gefrituurde spinnen en slangen die ze op straat te koop aanbieden (ook weer voor de toeristen) hebben we maar overgeslagen.

Op stap gaan met een lokale gids heeft zijn voordelen. Je ziet het echte Cambodja. We zien het verschil tussen de lokale markt en de toeristenmarkt. Deze laatste ligt vol Chinese brol, je kan je afvragen waarom we dit zo leuk blijven vinden ons tussen die troep te begeven. Wij vinden er maar niks aan. De lokale markt is dan ook weer aanpassen. Een drukte van jewelste, met brommertjes voor en achter (ja, ze stappen zelfs niet af om te voet te gaan tussen de kraampjes) en ja, vers is vers, dus ineens springt een vis uit zijn ondiepe kom vlak voor mijn voeten op het pad, in een poging te kunnen ontsnappen. Kippen liggen met hun poten vastgebonden aan elkaar. Vlees hangt in deze tropische temperaturen gewoon op aan haken, met overal vliegen. Die avond eet mijn vriend mee vegetarisch.

Tijdens onze tijd in Siem Reap bezoeken we ook Mechrey Village, op Tonle Sap Lake (betekent Great Lake), een dorp op een meer. Zij verhuizen mee met waar de vissen gaan. Uniek aan dit meer is dat de stroming twee keer per jaar verandert. En of ze creatief zijn. Er wordt aan landbouw gedaan, en je ziet overal kippen en honden op de eilandjes zitten. Gebouwd op bamboe en tonnen, en zo slepen ze met een motorbootje heel hun hebben en houden naar waar ze maar willen. Het is een beetje een dubbel gevoel. Het is een nomadisch bestaan, met visvangst voor zover ze het nodig hebben voor eigen gebruik. En dan komt het kapitalisme. Resultaat: overbevissing, mangroven worden gekapt om ook een stukje grond te hebben aan land (als kapitalist moet je ook iets ‘bezitten’ he), het hele ecosysteem staat onder druk. Er is geen schoolplicht in Cambodja; ouders kiezen zelf of ze hun kinderen naar school (die wel voorzien is, ook hier op het meer) sturen of niet. In veel gevallen helaas nog niet. Zo blijven ze ongeschoold, en zien het nut niet in om hun plastiek, afval en overschot van netten anders op te ruimen dan het gewoon in het water te gooien. Ze leven gewoon van dag tot dag.

En dan is het tijd om onze laatste tempel te bezoeken, Banteay Srei, ooit gebouwd uit roze steen waar na al die tijd van de kleur uiteraard niets meer te zien is. Tussen de apen en papegaaien genieten we van deze parel. Morgen vertrekken we voor een lange autorit naar de hoofdstad Phnom Penh. Op zich niet zo ver (300 km) maar door de staat van de wegen doen we er bijna een volledige dag over. Wat we daar zullen zien, tart elke verbeelding.

Lees hier het vervolg: De zwarte bladzijde van Cambodja

 

Onweer in Bali

Bali is het tropisch paradijs. Volgens de brochures hebben ze werkelijk alles; een heilig apenbos op de beboste vulkaanflanken voor de dierenliefhebbers onder ons, prachtige koraalriffen voor de duikers, golven voor de surfers, hindoetempels voor de reizigers die eens een andere cultuur willen opsnuiven, en bovenal een warm klimaat, ook in het regenseizoen. Kortom, voor elk wat wils.
Komt erbij, je bent op slag miljonair! Ik had maar liefst 3600000 RP op zak! Echter, in onze munt nog geen 250 waard. Maar het idee eraan was toch plezant. Wat een pak biljetten!
En uiteraard wil ik meer zien dan enkel de prachtige tuin en het veel te warme zwembad van het hotel. Ik wil dat Monkey Forest zien! En die rijstvelden! En de zee! Op uitstap dus. Een privé gids (die zelfs Nederlands spreekt; Bali was tot niet lang geleden een kolonie van Nederland) mét chauffeur gaat met ons mee. Hij neemt ons mee in de cultuur van Bali, met hindoeïsme als belangrijkste godsdienst, en onderweg vertelt hij ons over de verschillende ambachten in Bali, zijnde zilverkunst (ingevoerd uit Borneo), schilderijen en houtsnijwerk. De belangrijkheid van de ceremonieën zet hij, zelf een hindoe, vaak in de verf. Dat ze een aantal keren per dag offeren aan de goden kan je trouwens niet missen, overal struikel je bijna over alle bakjes met bloemen, vers fruit, koekjes en snoep, waar vooral de plaatselijke fauna zich aan tegoed doet!


So far so good. Want, helaas, al dat moois van Bali heeft een keerzijde…

Files

Waar we geen rekening mee gehouden hebben, is dat álle toeristen een eigen gids en chauffeur krijgen; van zodra we de oprit van ons hotel afrijden, staan we stil. En een meter verder staan we nog eens stil. En eigenlijk staan we overal stil. Brommertjes razen ons links en rechts voorbij. De verplaatsingen gaan ongelooflijk traag. Het gaat er ook heel chaotisch aan toe, voorrangsregels kennen ze hier niet. Na een uitstap van maar liefst 11 uur, waarvan het merendeel in de auto zijn we kapot! En hebben we eigenlijk vanalles en niets gezien.

Moet er nog plastiek zijn

De uitgestrekte stranden met fantastische branding missen hun doel niet. Al van ver zie je de surfers de ene golf na de andere pakken, of missen. Nog vastgebonden aan hun bodyboard komen ze al dan niet half verzopen terug het strand opgekropen. En samen met hen speekt de zee met elke golf plastiek uit. Echt. Overal plastiek. De Balinezen staan zelf in voor de verwerking van hun afval; ze verbranden een deel, maar, ze gooien blijkbaar ook een heel deel gewoon in de rivier, en die mondt uit in de zee. Vooral tijdens het regenseizoen komt dit afval terug op het strand terecht… hier is duidelijk nog wat sensibilisatie nodig! Het is eigenlijk echt vies om tijdens het wandelen op het strand ineens een plastiek zakje tussen je tenen te krijgen. Tot daar de romantische strandwandeling.

Tourist trap, for us or for them? That’s the question

Bali, een paradijs, dat zich volop richt op het toerisme. Het ene resort naast het andere, met bars en toeristenwinkels all over. Iedereen probeert een plekje te veroveren in deze booming business. Ik vraag me af of er eigenlijk een verschil is tussen deze vorm van ‘moderne’ kolonisatie van toeristen en de vroegere kolonisatie van Nederland. Het is een risico, voor dit prachtige land mét actieve vulkaan, om economisch bijna volledig af te hangen van de toeristensector.

Bali, clean and green

Het moet gezegd, je ziet wel inspanningen. De lokale surfclubs harken het vuil op het strand bij elkaar dat opgehaald wordt door een bulldozer. Je hebt vuilbakken om te sorteren. Ik zie een reclamepaneel met een sensibiliseringsfilmpje om geen koraal te ‘plukken’. Maar, we zijn er nog lang niet. Bali, clean and green, ik wens het ze van harte toe!


Onze laatste avond worden we getrakteerd op een showspel van bliksem, donder en regen. Direct staan de straten blank. Krijgen we toch nog iets van het regenseizoen te zien!